Doornroosje

Er waren eens een Koning en een Koningin, die een dochter kregen, een prinsesje. Ze gaven een groot feest voor alle mensen in het land, ter ere van de geboorte van hun dochter, die Doornroosje heette. Er waren drie lieve wens-fee-en uitgenodigd die alledrie hun wens uitspraken voor het lieve prinsesje. De een wenste haar al het geluk van de hele wereld, de ander wenste haar een leven lang gezondheid en vreugde. De derde fee wenste haar voor later een lieve man en dertien kinderen toe, opdat ze ooit, als ze later groot zou zijn geworden, nog lang en gelukkig als Koningin over het Rijk zou mogen regeren. Ook de andere, kleinere feetjes van hun Rijk mochten op het feest komen. Zo waren er maar liefst zestien goede fee-en uitgenodigd voor het feestmaal, maar de Koningin had maar vijftien gouden bordjes.

‘Hoe moet dat nou?’ zuchtte de Koningin. ‘Ik kan toch moeilijk de ene fee van een gewoon bord laten eten en de anderen van een gouden bordje?’. Nu had de Koningin heimelijk een enorme hekel aan het dertiende feetje, omdat ze net even anders was dan de andere twaalf feetjes, dus besloot ze om niet uit te nodigen: ‘Ach, een feetje meer of minder zal de pret niet drukken’, zei de Koning. ‘Bovendien heb ik gehoord dat het twaalfde feetje ernstig ziek is, dan heb je veertien feetjes aan tafel en dan hou je ook nog een bord over als reserve.

Toen het zover was,wapperden de vlaggen op het Kasteel van Rosendoorn, terwijl er binnen voor de gasten een geweldig groot feestmaal werd opgediend. Links en rechts van de Koning en de Koningin zaten de veertien fee-en, zeven aan elke kant. ‘U heeft vast gezien hoe mooi onze rozen erbij staan’, sprak de Koningin trots en daarom noemen we haar Doornroosje!’.