Verlaat nooit het rechte pad, dan wel het kromme, stille paadje.
Er was eens…, zo beginnen de meeste sprookjes, zo ook dit sprookje van Roodkapje.
Er was eens een meisje in Assen, dat Roodkapje heette, omdat ze altijd een rood mutsje droeg. Op een dag liep ze te wandelen in de stad, maar ineens moest ze verschrikkelijk plassen! Toen dacht ze: ‘Oh jee! Er is geen W.C.!’
Toen dacht ze: ‘Oh nee, dat is geen probleem, want ik ga Oma verrassen!’ Haar moeder had haar een plastic tas vol met lekkers mee gegeven, want Oma was een beetje ziek. Ze was al vlakbij het huis waar Oma woonde, dus dan zou ze voor hetzelfde geld, net zo goed bij Oma kunnen plassen!
In gedachten stapte het meisje rustig verder. Ze begon haar stappen te tellen, om de lange wandeling iets leukerder te maken. Een, twee, drie, stapjes had ze gezet. Vier, vijf, zes. Nog vier stapjes en dan had ze alweer 10 stapjes gezet. Elf, twaal, dertien telde ze hardop…
De zon stond te stralen aan de hemel en er was geen wolkje aan de hele helblauwe lucht te bekennen. Ze had goed naar haar moeder geluisterd, die had gezegd dat ze op het rechte pad moest blijven, want anders zou ze verdwalen. Roodkapje keek meestal naar beneden, omdat ze over de hobbelige stoeptegels moest wandelen. Je moest goed uitkijken, want de vierkante stoeptegels lagen niet allemaal even recht en ze had haar moeder beloofd om op het rechte stoeptegelpad te blijven!
Als je niet uitkeek, dan struikelde je bijvoorbeeld over een omhoogliggende stoeptegel of een stoeptegel die naar beneden gezakt was en dan viel je plat op je bek en daar had ze ook niks aan. Soms waren er een of meerdere losliggende stoeptegels in de stoep, die, als je daar per ongeluk op stapte, heen en weer ging wiebelen en dan kon je mogelijk een van je beider enkels verzwikken. Ook al waren de tegels allemaal vierkant en even recht dan nog moest je altijd uitkijken waar je liep.
Soms was het verschrikkelijk glad bij winterse buien, ijzel of sneeuw. Soms was het glad vanwege vorst aan de grond of andere wegwerkzaamheden. Soms was er iemand grappig geweest en had hij of zij, of iemand van een of ander ander onbekend geslacht, een bananeschil per ongeluk achteloos op de stoep gegooid en dan was je geheid verzekerd van een gebroken enkel of zelfs een gebroken heup. Soms waren de tegels zo glad, dat het wel leek alsof er een hele kolonne naaktslakken was langs geweest, met hun slijmerige sporen van slijm.
Roodkapje hield even stil om recht naar voren te kunnen kijken, omdat ze immers de hele tijd rechtdoor moest wandelen om ook op het rechte pad te blijven! Ze mocht niet afdwalen naar links of rechts of zich laten afleiden van het rechte pad! Het was warm in de stad. Het was zaterdagmiddag en overal waren grote mensen aan het winkelen. Roodkapje zag alleen maar de benen van de grote mensen voor zich uit lopen, dan wel links of rechts van haar passeren. Om bij het huisje van Oma te komen, moest ze nog een stukje door het drukke winkelcentrum lopen, maar ondertussen werd het bijna onmogelijk om haar behoefte om hoognodig te moeten plassen, tegen te houden.
Koortsachtig keek Roodkapje om zich heen. Ineens zag ze een boom staan, midden in de stad, met een stukje gras er om heen. Ze bedacht zich niet langer en rende vlug naar de boom, om er achter te kunnen staan. Voorzichtig keek ze langs de boom. ‘Nee, niemand had haar gezien!’ Ze trok gauw haar witte onderbroekje naar beneden, en opgelucht ging ze gehurkt zitten plassen. Ze had haar rode zomerjurkje aan en haar blote benen waren al lekker bruin van de zon. Ze zocht naar wat grote, groene bladeren waarmee ze zichzelf kon afdrogen, anders werd haar onderbroek zo nat. Roodkapje keek nog eens naar de donkergele paardebloemen in het gras, die net zo stralend als de zon waren, als je er langer naar keek. Ze plukte wat van het blad van de paardebloemen en droogde zichzelf af.
Roodkapje bleef nog even genieten van de oase aan groen gras en zonnestralen, maar toen ze weer naar de straat wilde lopen, stond er ineens een grote man voor haar. Tenminste, ze zag iemand in een zwarte broek met zwarte schoenen. Verschrikt keek ze omhoog en zag een lange man staan, met een knalgeel vestje aan. Roodkapje slaakte een diepe zucht. ‘Gelukkig’, dacht ze, ‘het is de politie!’
‘Waar ga je naar toe, lief kind?’ vroeg de grote man met een wel heel aardige stem. Roodkapje vertelde dat ze naar haar Oma ging, die midden in de stad woonde, omdat Oma ziek was. Ze vertelde dat ze Oma koekjes ging brengen en dat ze onderweg zo hoognodig had moeten plassen. ‘Blijf wel op het pad, meisje’, zei de politie-agent, want de Grote Boze Wolf is in de buurt.’ Roodkapje beloofde het en liep verder.
Al gauw kwam ze aan bij Oma’s huisje. ‘Kroaaa! Kra! Kra! riep een krakende kraai ineens boven haar hoofd! Roodkapje schrok zich rot! Ze keek omhoog en zag boven in de boom een zwarte kraai zitten. Even later trok ze aan de bel van het huisje van Oma. ‘Wie is daar?’, riep Oma.
Roodkapje kon aan Oma’s stem wel horen dat ze ziek was. ‘Ik ben het, Roodkapje!’ Ik kom koekjes en appels brengen! ‘Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open!’ Roodkapje stapte naar binnen. Ze vond dat haar lieve omaatje er maar raar uitzag vandaag’.
‘Maar Oma, wat heeft u toch grote oren…! Dan kan ik je beter horen! zei Oma. Maar Oma, wat heeft u toch grote ogen…’Dan kan ik je beter zien, mijn kind. Maar Oma, wat heeft u verschrikkelijk grote tanden! ‘Jaahhaa, daarmee kan ik je beter opeten!
‘Huh, maar Oma, u maakt zeker een grapje?! Dan kunt u veel beter de koekjes en appeltjes opeten, die ik speciaal voor u heb genomen! Maar Oma sprong met een grote sprong uit haar bed en voordat Roodkapje ook maar iets doorhad, verslond zij haar met huid en haar, levend en wel!
‘Zo, en nu ga ik een lekker tukje doen’, gaapte Oma. Snurkend viel zij in slaap. De jager, die heel toevallig in de buurt was, hoorde het luide gesnurk van Oma. Hij zag meteen dat het de wolf was, die in Grootmoeders bed lag. En aan zijn dikke, ronde buik te zien had hij Oma opgegeten!
De jager aarzelde geen moment. Hij pakte zijn zakmes uit zijn broekzak en sneed de dikke, ronde buik van de slapende wolf voorzichtig open. FLOEP! Daar kwam niet Grootmoeder tevoorschijn, nee, het was Roodkapje herself! Het was daarbinnen heel benauwd!
De jager fluisterde: ‘We zullen die boze wolf eens een lesje leren!’ De jager stopte een paar zware stenen in de buik van de wolf en naaide de boel toen weer netjes dicht. Daarna gooiden ze de wolf in een hele diepe, diepe put. Toen deden ze een dekseltje op de put, om te voorkomen dat de boze, hongerige wolf ooit nog uit de put zou kunnen komen!
Nooit heeft iemand ooit de hongerige wolf gezien. En Roodkapje? Die ging nooooit meer van het padje af!