Verlaat nooit het rechte pad, dan wel het kromme, stille paadje.
Er was eens…, zo beginnen de meeste sprookjes, zo ook dit sprookje van Roodkapje.
Er was eens een meisje in Assen, dat Roodkapje heette, omdat ze altijd een rood mutsje droeg. Op een dag liep ze te wandelen in de stad, maar ineens moest ze verschrikkelijk plassen! Toen dacht ze: ‘Oh jee! Er is geen W.C.!’
Toen dacht ze: ‘Oh nee, dat is geen probleem, want ik ga Oma verrassen!’ Haar moeder had haar een plastic tas vol met lekkers mee gegeven, want Oma was een beetje ziek. Ze was al vlakbij het huis waar Oma woonde, dus dan zou ze voor hetzelfde geld, net zo goed bij Oma kunnen plassen!
In gedachten stapte het meisje rustig verder. De zon stond te stralen aan de hemel en er was geen wolkje aan de helblauwe lucht te bekennen. Ze had goed naar haar moeder geluisterd, die had gezegd dat ze op het rechte pad moest blijven, want anders zou ze verdwalen. Roodkapje keek meestal naar beneden als ze over de stoeptegels moest wandelen. Je moest goed uitkijken, want de vierkante stoeptegels lagen niet allemaal even recht. Als je niet uitkeek, dan struikelde je en dan viel je plat op je bek en daar had ze ook niks aan.
Roodkapje hield even stil om recht naar voren te kunnen kijken, omdat ze immers de hele tijd rechtdoor moest wandelen om ook op het rechte pad te blijven! Ze mocht niet afdwalen naar links of rechts of laten afleiden van wat ze anders allemaal onderweg tegen kwam. Het was warm in de stad. Het was zaterdagmiddag en overal waren grote mensen aan het winkelen. Roodkapje zag alleen maar de benen van de grote mensen voor zich uit lopen, dan wel links of rechts van haar passeren. Om bij het huisje van Oma te komen, moest ze nog een stukje door het drukke winkelcentrum lopen, maar ondertussen werd het bijna onmogelijk om haar behoefte om hoognodig te moeten plassen, tegen te houden.
Koortsachtig keek Roodkapje om zich heen. Ineens zag ze een boom staan, midden in de stad, met een stukje gras er om heen. Ze bedacht zich niet langer en rende vlug naar de boom, om er achter te kunnen staan. Voorzichtig keek ze langs de boom. ‘Nee, niemand had haar gezien!’ Ze trok gauw haar witte onderbroekje naar beneden, en opgelucht ging ze gehurkt zittend, plassen. Ze had haar rode zomerjurkje aan en haar blote benen waren al lekker bruin van de zon. Ze zocht naar wat grote, groene bladeren waarmee ze zichzelf kon afdrogen, anders werd haar onderbroek zo nat. Roodkapje keek nog eens naar de donkergele paardebloemen in het gras, die net zo stralend als de zon waren, als je er langer naar keek. Ze plukte wat van het blad van de paardebloemen en droogde zichzelf af.
Roodkapje bleef nog even genieten van de oase aan groen gras en zonnestralen, maar toen ze weer naar de straat wilde lopen, stond er ineens een grote man voor haar. Tenminste, ze zag iemand in een zwarte broek met zwarte schoenen. Verschrikt keek ze omhoog en zag een lange man staan, met een zo’n knalgeel vestje aan, waar de politie ook mee loopt. Roodkapje slaakte een diepe zucht. ‘Gelukkig’, dacht ze, ‘het is de politie!’
‘Waar ga je naar toe, lief kind?’ vroeg hij met een wel heel aardige stem, voor een wolfachtige politie-agent dan. Roodkapje vertelde dat ze naar haar Oma ging, die midden in de stad woonde, dat haar Oma ziek was en dat ze daarom koekjes ging brengen, maar dat ze onderweg zo hoognodig had moeten plassen. ‘Blijf wel op het pad, meisje’, zei de politie-agent, want de Grote Boze Wolf is in de buurt.’ Roodkapje beloofde het en liep verder.
Al gauw kwam ze aan bij Oma’s huisje. ‘Kroaaa! Kra! Kra! riep een krakende kraai ineens boven haar hoofd! Roodkapje schrok zich rot! Ze keek omhoog en zag in een andere boor een zwarte kraai zitten en even later trok ze aan de bel. ‘Wie is daar?’
Roodkapje kon aan Oma’s stem wel horen dat ze ziek was. ‘Ik ben het, Roodkapje!’ Ik kom koekjes en appels brengen! ‘Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open!’ Roodkapje stapte naar binnen. Ze vond dat haar lieve omaatje er maar raar uitzag vandaag’.