Klein Duimpje

Er was eens een arme houthakker die zeven zonen had. Omdat hij te weinig geld had om eten te kopen, zei hij tegen zijn vrouw: ‘Ik laat de jongens morgen achter, in het bos! Misschien vinden ze ergens een betere plek om te wonen.

De jongste zoon werd Klein Duimpje genoemd, omdat hij zo klein was. Hij zat stiekem mee te luisteren naar het gesprek van zijn ouders. Toen iedereen sliep, glipte hij het huis uit en vulde zijn jaszak met kiezelsteentjes. De volgende dag gingen ze op weg naar het bos. Ze liepen steeds dieper het bos in, maar Klein Duimpje liet telkens een steentje vallen. Zo ontstond er een spoor door het bos. Ze liepen uren, tot de vader zei: ‘Blijven jullie hier maar even uit rusten, dan ga ik intussen hout hakken’. Na een tijdje vroegen de zonen zich verbaasd af waar hun vader gebleven was, maar hij kwam niet meer terug! Klein Duimpje wees zijn broers op het spoor van de kiezelsteentjes. Nu hoefden ze het kiezelspoor maar te volgen en waren ze snel weer thuis. Hun moeder sloot hen bij thuiskomst opgelucht in haar armen.

Het was al laat. Moeder zei: ‘Geen zorgen voor morgen, morgen is er weer een dag! Dat zien we morgen dan wel weer!’ Maar de volgende ochtend bracht hun vader, de houthakker, hen nog dieper het bos in! Klein Duimpje had deze keer geen kiezels, noch keizelsteentjes kunnen verzamelen. Gelukkig had Klein Duimpje een hompje brood bij zich. Hij verkruimelde het en maakte zo opnieuw een spoor door het bos.

Vader had zijn zeven zonen weer achter gelaten, maar Klein Duimpje zei tegen zijn oudere, grotere broers: ‘Geen noot, jongens!’Helaas, er was geen spoor meer. De vogels hadden alle kruimeltjes opgegeten. Zo dwaalden de kinderen treurig door het bos, tot ze bij een groot vakantiehuisje aankwamen, midden in het bos. Een enorm grote vrouw deed open.

‘Goedenavond, mevrouw,’ zei Klein Duimpje dapper, ‘Wij zijn verdwaald. Kunnen we hier misschien overnachten?’ ‘Kom maar binnen, zei de aardige REUZiN. ‘Maar wees stil. Onze dochtertjes slapen al. BOEM! BOEM! BOEM!

Zware voetstappen dreunden door het bos. ‘Oei, daar komt mijn man!’ riep de Reuzin. ‘Hij houdt van MensenVleesch!’ ‘Vlug, verstop je onder het bed!’ Ze zaten nog maar net verscholen, of de voordeur vloog open. De Reus stapte de kamer in, stond plotseling stil en snoof… ‘Wacht eens…ik ruik…MensenVlesch!’Hij keek onder het bed. ‘Zie je wel!’schreeuwde hij en met een van zijn Reuze-armen haalde hij met een Reuzezwaai allen zeven broertjes onder het bed vandaan. ‘Heerlijk!’ riep hij vrolijk. ‘Vrouw, leg ze maar in het logeerbed. Dan eet ik ze morgenvroeg op, als ontbijt!’

‘We komen hier nooit meer weg’, snotterde een van de broertjes toen ze naast elkaar in het grote logeerbed lagen. Maar Klein Duimpje fluisterde: ‘Ik heb een idee!’ Hij wreef met zijn wijsvingertje onder zijn kleine neusje en ineens zag je een gloeilamp boven zijn hoofdje verschijnen! Dan wist je dat Klein Duimpje een geweldig goed idee had gekregen.

Tegenover het logeerbed stond nog een bed. Daarin sliepen de zeven dochtertjes van de Reus. Ze hadden allemaal een Kroontje op. Voorzichtig pakte Klein Duimpje de kroontjes op de hoofden van zijn broertjes en ging weer in bed liggen. Intussenbedacht de Reus dat de jongens er misschien vandoor zouden gaan. Hij ging de PiKdonkere kamer in en vond op de tast een kroontje. ‘Oei!’ Dat zijn mijn eigen kinderen’, mompelde hij. ‘Die knapen liggen dus hier tegenover…?!’

De ReuzenKoning ging naar het andere bed, nam zijn zeven dochters onder zijn arm en sloot ze op in een donkere kast! Tevreden viel hij in slaap. Maar met hetzelfde gemak slopen de broers weer naar buiten, al was de deur op slot. Een van de broers had een toversleutel en draaide daarmee de andere sleutel vanuit de binnenkant van de kast, zo uit het slot. Op hun tenen slopen ze naar buiten en ze zetten het op een lopen.

De volgende ochtend ontdekte de Reus zijn vergissing. ‘Waar zijn mijn ZevenMijlsLaarzen eigenlijk gebleven?’, brulde hij woest. ‘Ze zullen niet ver komen!’ Ondertussen zaten de zeven jongens uit te rusten achter een heuveltje, ergens ter hoogte van het Poepenhemeltje. BOEM! BOEM! BOEM! Klonk het door het bos. De toverlaarzen van de Reus zorgden ervoor dat hij in een stap wel zeven mijl kon afleggen. In zeven stappen van elf kilometer was hij het hele bos doorgerend, op zoek naar de jongens. Na een tijdje werd de Reus vreselijk moe en hij besloot om even te gaan liggen in het hoge gras. Hij denderde meteen in slaap en begon luid te snurken.

De jongens hoorden van verre het luide gesnurk van de Reus. Langzaam slopen ze door het lange gras naar de slapende reus. Klein Duimpje trok heel langzaam de laarzen van de voeten van de Reus, alsof het een peuleschilletje was, en deed ze zelf aan. Wonderlijk genoeg pasten de grote laarzen van de Reus precies aan de kleine voetjes van Klein Duimpje. Met zeven mijl per stap, vond hij al snel de weg naar huis terug.

De houtkakker en zijn vrouw konden hun geluk niet op. Ze hadden vreselijk veel spijt dat ze hun kinderen het bos in hadden genomen en hen in de steek hadden gelaten. Intussen had de houthakker weer genoeg werk. Er was een rijke man in het dorp komen wonen die zeven euro voor een zak met houtblokken betaalde, zodat de Reus weer vrolijk verder kon met hout in stukken te hakken. Ze leefden samen nog lang en gelukkig verder!